top of page
Zoeken

De onzichtbare oorlog; de onzichtbare pleger, het patroon en de onwil

door Marlon Domingus, gepubliceerd op zijn LinkedIn op 20 april 2026 en met zijn instemming ook verspreid via Flamingo Training en Advies.


Uit de CBS-cijfers in deel 1: bij 60 procent van de in Nederland vermoorde vrouwen was de (vermoedelijke) dader de (ex-)partner. Bij 99 procent van de vrouwelijke slachtoffers had de politie een (vermoedelijke) dader in beeld. Aan bijna al die dodelijke gebeurtenissen ging een patroon vooraf. Niet één incident. Een patroon.

De vraag van dit tweede deel* is eenvoudig: hoe kan dat patroon zo lang onzichtbaar blijven dat er mensen door sterven. Ook terwijl hulpverlening, politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak formeel aanwezig zijn?


De pleger zelf aan het woord

In 2015 deed Chuck Derry, directeur van het Gender Violence Institute in Minnesota, iets eenvoudigs. Hij runde al jaren verplichte groepen voor mannen die waren veroordeeld voor partnergeweld. Op een avond stelde hij één vraag: wat levert het je op? De mannen keken elkaar aan. Niemand kon iets bedenken. Er zijn geen voordelen, zeiden ze. Derry hield vol. Er moeten voordelen zijn, anders zouden jullie het niet doen. Eén man begon. Toen stortte de lijst open.

De lijst is lang en concreet. Ze hoeft niet te ruziën. Ze is bang om te vertrekken. Ze doet alles in het huishouden en de zorg voor de kinderen. Ze keurt mij goed. Ze durft de politie niet te bellen. Ze geeft mij haar geld. Ik bepaal wat ze aantrekt, met wie ze omgaat, wanneer ze het huis verlaat. Ik kan de geschiedenis herschrijven. Ik ben koning van het kasteel. Als zij iets probeert, zorg ik dat ze geen vrienden meer heeft om het aan toe te vertrouwen. De kinderen houden hun mond over wat ik doe. Zie ook het naschrift hieronder voor de volledige lijst.

Derry vroeg daarna waarom ze er eventueel mee zouden stoppen. Het antwoord ging niet over spijt of inzicht. Het ging over arrestatie, echtscheiding, een contactverbod, volwassen dochters die je niet op hun bruiloft uitnodigen, moeten zitten in een groep zoals deze. Alles wat hen zou kunnen bewegen was extern. Niets was intern.

Dat is een van de meest ontnuchterende observaties in de literatuur. De plegers weten wat ze doen. Ze weten waarom ze het doen. En ze weten wat hen eventueel zou kunnen doen stoppen. Het is geen woede, geen impuls, geen controleverlies. Het is een berekening waarin de opbrengsten hoog zijn en de kosten laag.


Bron: Chuck Derry, "Abusive Men Describe the Benefits of Violence", Voice Male Magazine, 14 oktober 2015. Heruitgave in: Battered Women’s Support Services (BWSS), 2024. Podcast: The Disturbing Reasons Why Men Justify Violence Against Women: Interview with Chuck Derry, Co-Founder of Gender Violence Institute in Minnesota.


Het patroon onder de incidenten

Hier sluit het werk van Ellen Pence en Shamita Das Dasgupta op aan. Zij waarschuwden in 2006 dat het begrip battering in politiek en recht verschraald was tot fysiek geweld, terwijl de oorspronkelijke betekenis iets anders was: een aanhoudend patroon van intimidatie, dwang, economische afhankelijkheid, isolatie en controle, waarvan fysiek geweld slechts één instrument is. Battering zie je alleen als je naar het patroon kijkt, niet naar het incident.

Het incident is precies wat politie, huisarts, mediator, advocaat of rechter meestal te zien krijgt. Een blauw oog, een melding, een scheiding, een voorval. Het patroon — de jaren van ondermijning, seksuele dwang, financiële controle, verzwakking van haar sociale netwerk — blijft in de schaduw. De pleger voert graag een "situatie" aan die het geweld verklaart: hij had gedronken, zij had uitgelokt, het was een uit de hand gelopen ruzie. Pence en Dasgupta laten zien dat diezelfde "situaties" bij dezelfde plegers routinematig terugkomen. Het is geen toeval. Het is een repertoire.



Evan Stark zet er in Coercive Control (Oxford University Press, 2007) een stap bovenop. Geweld tegen een intieme partner is in zijn analyse geen delict van mishandeling, maar van vrijheidsberoving: een liberty crime. De kern is niet letsel, maar de systematische ontneming van handelingsruimte. Stark documenteert de micromanagement van het dagelijks leven: hoe laat er mag worden geslapen, wat er gegeten wordt, wie gezien mag worden, welke kleding, welk telefoongebruik, welk geld. Op basis van deze analyse kregen Engeland & Wales (Serious Crime Act 2015, sectie 76), Schotland (Domestic Abuse Act 2018) en Ierland (Domestic Violence Act 2018) een zelfstandige strafbaarstelling voor coercive or controlling behaviour. Nederland heeft die stap niet gezet.


Bron: Evan Stark, Coercive Control: How Men Entrap Women in Personal Life, Oxford University Press, 2007, hoofdstukken 6–8 (pp. 171–287).


De ladder

Het patroon heeft niet alleen een structuur, het heeft ook een richting. De Engelse forensisch criminologe Jane Monckton Smith, hoogleraar public protection aan de University of Gloucestershire en oud-politieagent, analyseerde 372 femicidezaken uit 2012–2015 uit de Counting Dead Women-database van Karen Ingala Smith. Zij zocht naar een gemeenschappelijk verloop. Dat verloop bleek er te zijn. In vrijwel alle zaken doorliep de pleger dezelfde acht fasen.

De eerste fase is een voorgeschiedenis van controle of stalking. Niet noodzakelijk strafrechtelijk vastgelegd, wel herkenbaar als patroon in eerdere relaties. De tweede is de commitment whirlwind: de relatie ontwikkelt zich in ongezond tempo tot iets serieus. De derde fase is het leven met coercive control zelf: de alledaagse regie over kleding, geld, tijd, contacten. De vierde fase is een trigger: er gebeurt iets wat de controle bedreigt, meestal het feitelijke of dreigende vertrek van de vrouw, soms een zwangerschap, een nieuw contact, een aanstaande scheiding. Dan, fase vijf, volgt escalatie: meer bedreigingen, meer stalking, meer controle. Fase zes is een verandering in het denken van de pleger: hij begint zich voor te stellen dat dit niet anders kan aflopen dan met haar dood of de zijne. Fase zeven is planning. Fase acht is doding. En in een significant deel van de gevallen zelfdoding erna.

De waarde van dit model is dat het "crime of passion", "uit de hand gelopen ruzie" en "hij knapte door" ontmaskert als narratieven die alleen bestaan omdat we naar het eindpunt kijken en niet naar de route ernaartoe. Wie fase één tot en met zes ziet, en dat zou hulpverlening, politie en familierecht in principe kunnen, kan fase acht voorkomen. Wie alleen naar fase vier of vijf kijkt als afzonderlijk incident ziet een "escalatie" zonder context, een conflict tussen twee mensen, een relatie die uit de hand liep. Precies zoals deze gevallen in Nederlandse dossiers worden vastgelegd.



Het wiel

De tactieken behorend bij dat patroon is in 1982 door Ellen Pence en collega's bij het Domestic Abuse Intervention Programs in Duluth uitgetekend in een schema dat inmiddels in meer dan veertig talen bestaat: de Power and Control Wheel.

In het wiel staan acht tactieken: intimidatie, emotioneel misbruik, isolatie, minimaliseren en ontkennen, inzet van kinderen, beroep op mannelijk privilege, economisch misbruik, dwang en bedreiging als spaken rond een kern van macht en controle. Daaromheen, als buitenring, staan fysiek en seksueel geweld.

De buitenring is wat meestal gezien wordt. De meeste tactieken laten geen blauw oog achter.

Het wiel is de transcriptie van gesprekken met vrouwen die er jaren in hebben geleefd. Dat is ook waarom Derry's lijst naadloos op de spaken past. Hij heeft de plegers laten bevestigen wat hun slachtoffers al decennia proberen te zeggen.



Als professionals niet vragen, vinden ze niets

Daarmee verschuift de vraag. Niet: wat doen plegers. Maar: waarom blijft dat zo vaak onopgemerkt door de professionals die het zouden moeten zien?

Een deel van het antwoord is methodisch. In 2010 publiceerden Amy Holtzworth-Munroe, Connie Beck en Amy Applegate in Family Court Review een screeningsinstrument dat ze met opzet in het publieke domein hebben geplaatst: de Mediator's Assessment of Safety Issues and Concerns, afgekort MASIC. De aanleiding was hun eigen onderzoek bij de mediationkliniek van Indiana University. Daar detecteerden mediators zonder formele screening partnergeweld in minder dan 40 procent van de dossiers, terwijl vergelijkbare populaties in ander onderzoek boven de 50 procent uitkomen. Bij een gestandaardiseerde gedragsvragenlijst, afgenomen zonder dat mediators de uitslag zagen, bleek dat zij ongeveer de helft van de gevonden gevallen misten (Holtzworth-Munroe, Beck & Applegate, 2010, p. 647).

Hoe groot het effect van gestandaardiseerd vragen is, werd zichtbaar in een gerandomiseerde studie bij het Multi-Door Dispute Resolution Division van de D.C. Superior Court, met 741 scheidende en nooit-getrouwde koppels. Bij gebruik van de bredere, klassieke intake-vragen rapporteerde 38,8 procent van de partijen partnergeweld. Bij gebruik van de MASIC, met gedragsgerichte vragen over specifieke handelingen, rapporteerde 94,1 procent een of andere vorm van geweld of misbruik — waaronder 84,6 procent coercive control en 55,4 procent fysiek geweld (Rossi et al., Psychology, Public Policy, and Law, 2015).

Het verschil tussen 38,8 en 94,1 procent is geen nuance. Het is het verschil tussen een systeem dat partnergeweld als uitzondering behandelt en een systeem dat het als norm onder scheidende ouders moet zien.

De MASIC is gestructureerd, gedragsgericht en niet-beschuldigend. Er wordt niet gevraagd of iets erg genoeg is om te benoemen; er wordt gevraagd of specifiek gedrag is voorgekomen. Wie ernaar vraagt, krijgt antwoord. Wie er niet naar vraagt, ziet niets. Het instrument is vrij te gebruiken.

In Nederland is zo'n gestandaardiseerd screeninginstrument geen standaardpraktijk bij huisartsen, bij mediators, in de jeugdbescherming of bij Veilig Thuis. De eerste filter waarlangs partnergeweld zichtbaar zou moeten worden, werkt niet. Het patroon blijft onzichtbaar, voor een deel, omdat er eenvoudigweg niet naar gevraagd wordt.



Als professionals het wél zien

En als er wel naar gevraagd wordt? Als er aangifte is, bewijs is, meldingen van Veilig Thuis, en het dossier bij de officier van justitie belandt — wat gebeurt er dan?

In november 2025 publiceerden Investico, RTL Nieuws en De Groene Amsterdammer de uitkomsten van een jarenlang onderzoek naar artikel 12-procedures bij het gerechtshof Amsterdam. Dat is de klachtprocedure die slachtoffers kunnen starten als de officier besluit niet te vervolgen. De onderzoekers — Jolanda van de Beld, Belia Heilbron en Bobby Uilen — kregen bij hoge uitzondering inzage in alle niet-gepubliceerde uitspraken van het hof uit de afgelopen zes jaar.

De cijfers die erin staan zijn precies en onthutsend. Eén op de vijf vrouwen die in Nederland gaat scheiden, doet dat omdat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld (Verwey-Jonker Instituut, Waar geweld uit beeld raakt, 2025, p. 4). Slechts tien procent van de slachtoffers van huiselijk geweld meldt zich bij de politie; een nog kleiner deel doet aangifte (CBS, Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag 2024). Van de zaken die wél bij het OM belanden en voldoende bewijs bevatten, wordt twintig procent geseponeerd met als reden dat vervolging "niet in het algemeen belang" zou zijn. Dat is geen detail: het is tekstueel in strijd met het eigen beleid op de website van het OM, dat stelt dat bewijsbare huiselijk-geweldzaken in beginsel altijd worden vervolgd.

In het dossier van het Amsterdamse hof vonden de onderzoekers 81 zaken van geweld tussen (ex-)partners: bedreiging, mishandeling, verkrachting, stalking. In 21 zaken tikt het hof het OM op de vingers: vervolging had moeten plaatsvinden. In 60 zaken wijst het hof de klacht af. In 17 van die 60 zaken erkent het hof zelf dat er voldoende bewijs was en dat een veroordeling "voor de hand ligt", maar gaat het niet vervolgen. Veertien van die zeventien zaken draaien om ex-partners met kinderen, waarbij de raadsheren redeneren dat strafrechtelijk ingrijpen de "onderlinge verhoudingen" of de "geestelijke gezondheid van kinderen" zou schaden.

Hoogleraar Veiligheid en Interventies Marieke Liem reageerde op die redenering in de Investico-reconstructie kort en scherp:

In een gespannen situatie kan elke interventie voor gevaar zorgen. Maar dat geldt dus niet alleen voor het strafrecht, dat kan ook gebeuren door interventie van omstanders of familie. Dat ontslaat je als OM of rechter niet van de plicht om iets aan huiselijk geweld te doen.

Katinka Lünnemann (Verwey-Jonker Instituut) formuleerde wat er feitelijk gebeurt: familierechters nemen huiselijk geweld al moeilijk serieus zonder strafrechtelijke vaststelling; als ook het strafrecht zich terugtrekt met een beroep op diezelfde familierechtelijke procedure, staat het slachtoffer dubbel in de kou. Het kind trouwens ook.



Twee kanten van dezelfde muur

Aan de voorkant: geen screening, dus geen signalen. Aan de achterkant: wél signalen, wél bewijs, en tóch geen vervolging. Dat lijkt los van elkaar te staan, maar hangt samen. In beide gevallen verdwijnt het patroon dat Derry's plegers moeiteloos konden opnoemen uit beeld, en blijft de pleger zelf onzichtbaar als pleger. Hij is "de vader". Hij is "de ex". Hij is "de andere partij in de scheiding". Hij wordt zelden, in een dossier, systematisch benoemd als degene die dit gedrag in stand houdt.

Dit is de observatie waaromheen David Mandel in Connecticut — en inmiddels in samenwerking met overheden en NGO's op vier continenten — zijn Safe & Together-model heeft gebouwd. Mandel stelt dat systemen (jeugdbescherming, familierecht, hulpverlening) consequent doen aan mother-blaming and father-ignoring. Het taalgebruik is de eerste plaats waar dat zichtbaar wordt.

"Er was geweld in het gezin."

"Zij werd mishandeld."

"De kinderen waren getuige van onveiligheid."

Passieve zinnen zonder dader. In de praktijk wordt vervolgens de moeder beoordeeld op haar vermogen om te beschermen, haar draagkracht, haar loyaliteit, haar veronderstelde "keuze voor de partner boven het kind".

De vader, degene die het gedrag vertoont, verdwijnt uit het dossier als handelend persoon en wordt een omstandigheid.

Mandels correctie is taalkundig en inhoudelijk tegelijk. Het gedrag van de pleger is de primaire variabele. Zijn patroon, niet de relatie. Zijn keuzes, niet zijn stoornis. Zijn vaderschap inclusief het geweld, niet naast het geweld. Domestic violence perpetration is a parenting choice — de enkele zin die in zijn werk het herijkte perspectief draagt. Als het vaderschap van de pleger mede wordt beoordeeld op het geweld dat hij kiest, verschuift de hele dossierlogica. De vraag is dan niet meer of de moeder haar kinderen heeft beschermd tegen hem, maar of hij als vader heeft gehandeld op een manier die zijn kinderen schaadt.



Het systeem weet het

Wat zich hier ontvouwt is niet een probleem van onwetendheid. Het is een probleem van toelating.

De Rotterdamse advocaat Jolande ter Avest, die zich in haar praktijk richt op civielrechtelijke beslissingen over omgang bij huiselijk geweld, formuleerde dat in november 2025 scherp — op basis van een opmerking die haarzelf verraste:

"Kennis vervliegt omdat we de consequenties van die kennis niet willen dragen."

Ter Avest ziet dat terug, schrijft ze, bij hulpverlening, jeugdbescherming, Veilig Thuis, de advocatuur, de rechtspraak en de Raad voor de Kinderbescherming. In veel zaken valt prima vast te stellen dát er sprake is van huiselijk geweld; de onderbouwde signalen zijn volop aanwezig. Maar dan, schrijft ze, gebeurt er iets opvallends: dezelfde professionals die de signalen hebben verzameld, verzwakken ze, nuanceren ze of negeren ze. Niet omdat de signalen niet kloppen. Omdat onduidelijk is welke consequenties er in redelijkheid aan verbonden moeten worden. Of omdat die consequenties niet gedragen willen of durven worden.



Derry's plegers zijn zich bewust van hun gedrag. Pence, Dasgupta en Stark beschrijven het patroon. Monckton Smith brengt de progressie van dat patroon naar femicide in acht herkenbare stappen in kaart. Het Domestic Abuse Intervention Project heeft het in een wiel getekend dat vier decennia oud is. Holtzworth-Munroe en collega's hebben een vrij beschikbaar instrument ontwikkeld waarmee het geweld gevonden kan worden. Mandel, Emma Katz, het Verwey-Jonker Instituut en Australische collega's hebben laten zien hoe er vervolgens aan gehandeld kan worden. De Groene Amsterdammer en Investico hebben gedocumenteerd wat er gebeurt als een slachtoffer dat allemaal daadwerkelijk gebruikt. GREVIO heeft het voor Nederland specifiek onder woorden gebracht, twee keer. In 2020 en in 2025. Het boek van Ariane Hendriks en Ingrid Vledder, Met liefde heeft het niets te maken. Over het herkennen en stoppen van intieme terreur tenslotte, doet lezers de schellen van de ogen vallen. Soms publiekelijk.

Er is, in 2026, geen gebrek aan kennis over battering, coercive control of intieme terreur in Nederland. Er is een gebrek aan het dragen van de consequenties van die kennis.


*Marlon schreef dit artikel als onderdeel van een drieluik.

 

 
 
 

Opmerkingen


Basistraining MASIC

bottom of page